21 december


banner

1 Koningen 11

1 Koningen 11:1 Koning Salomo had veel uitheemse vrouwen lief, en dat naast de dochter van de farao: Moabitische, Ammonitische, Edomitische, Sidonische, en Hethitische vrouwen,
1 Koningen 11:2 uit de volken waarvan de HEERE tegen de Israëlieten had gezegd: U mag niet naar hen toe gaan en zij mogen niet bij u komen. Zij zouden ongetwijfeld uw hart doen afwijken, achter hun goden aan. Aan hen hechtte Salomo zich in liefde.
1 Koningen 11:3 Hij had zevenhonderd vrouwen – vorstinnen – en driehonderd bijvrouwen. Zijn vrouwen deden zijn hart afwijken.
1 Koningen 11:4 Het was in de tijd van Salomo’s ouderdom dat zijn vrouwen zijn hart deden afwijken, achter andere goden aan, zodat zijn hart niet volkomen was met de HEERE, zijn God, zoals het hart van zijn vader Da­vid,
1 Koningen 11:5 want Salomo ging achter Astoreth aan, de god van de Sidoniërs, en achter Milkom, de afschuwelijke afgod van de Ammonieten.
1 Koningen 11:6 Zo deed Salomo wat slecht was in de ogen van de HEERE: hij volhardde er niet in de HEERE na te volgen, zoals zijn vader David.
1 Koningen 11:7 Toen bouwde Salomo een offerhoogte voor Kamos, de afschuwelijke afgod van de Moabieten, op de berg die voor Jeruzalem ligt, en voor Molech, de afschuwelijke afgod van de Ammoniet­en.
1 Koningen 11:8 Zo deed hij voor al zijn uitheemse vrouwen, die hun afgoden reukoffers en slach­toffers brachten.
1 Koningen 11:9 Daarom werd de HEERE toornig op Salomo, omdat zijn hart van de HEERE, de God van Israël, Die hem tweemaal was verschenen, was afgeweken.
1 Koningen 11:10 Hij had hem aangaande deze zaak geboden dat hij niet achter andere goden aan zou gaan, maar hij hield zich niet aan wat de HEERE geboden had.
1 Koningen 11:11 Daarom zei de HEERE tegen Salomo: Omdat het bij u gebeurd is dat u Mijn verbond en verordeningen, die Ik u geboden heb, niet in acht hebt genomen, zal Ik het koninkrijk zeker van u losscheuren en het aan uw dienaar ge­ven.
1 Koningen 11:12 In uw dagen zal ik dat echter niet doen, omwille van uw vader David. Ik zal het uit de hand van uw zoon losscheuren.
1 Koningen 11:13 Alleen, Ik zal niet het hele koninkrijk van u losscheu­ren: één stam zal Ik aan uw zoon geven, omwille van Mijn dienaar David en omwille van Jeru­zalem, dat Ik verkozen heb.
1 Koningen 11:14 Zo liet de HEERE een tegenstander van Salomo opstaan: Hadad, de Edomiet. Hij was uit het nageslacht van de koning van Edom.
1 Koningen 11:15 Het gebeurde namelijk eens, toen David in Edom was, toen Joab, de legeroverste, eropuit trok om de ges­neuvelden te begraven, dat hij al wie mannelijk was in Edom doodde,
1 Koningen 11:16 want Joab bleef daar zes maanden, met heel Israël, totdat hij al wie mannelijk was in Edom had uitgeroeid.
1 Koningen 11:17 Maar Hadad vluchtte, hij en enige Edomitische mannen uit de dienaren van zijn vader met hem, om in Egypte te komen. Hadad was toen nog een kleine jongen.
1 Koningen 11:18 Zij vertrokken uit Midian en kwamen in Paran. Uit Paran namen zij mannen met zich mee en kwamen in Egypte, bij de farao, de koning van Egypte. Die gaf hem een huis, zegde hem voedsel toe en gaf hem land.
1 Koningen 11:19 Verder vond Hadad zoveel genade in de ogen van de farao, dat deze hem de zuster van zijn vrouw, de zuster van koningin Tachpenes, tot vrouw gaf.
1 Koningen 11:20 En de zuster van Tachpenes baarde hem zijn zoon, Genubath, en Tachpenes bracht hem groot in het huis van de farao. Genubath was in het huis van de farao te midden van de zonen van de farao.
1 Koningen 11:21 Maar toen Hadad in Egypte hoorde dat David bij zijn vaderen te ruste gegaan was en dat Joab, de legerbevelhebber, dood was, zei Hadad tegen de farao: Laat mij gaan, dan trek ik naar mijn land.
1 Koningen 11:22 De farao zei echter tegen hem: Waaraan ontbreekt het u bij mij dat, zie, u naar uw land wilt trekken? En hij zei: Aan niets, maar laat mij evenwel gaan.
1 Koningen 11:23 God liet nog een tegenstander tegen hem opstaan: Rezon, de zoon van Eljada, die weggevlucht was bij zijn heer, Hadad-ezer, de koning van Zoba,
1 Koningen 11:24 tegen wie hij, toen David hen doodde, man­nen bijeengebracht had en leider van een bende werd. Zij trokken naar Damascus, gingen daar wonen en regeerden in Damascus.
1 Koningen 11:25 En al de dagen van Salomo was hij tegenstand­er van Israël, en dat naast het kwaad dat Hadad deed, want hij had een afkeer van Israël en regeerde over Syrië.
1 Koningen 11:26 Ook Jerobeam, de zoon van Nebat, een Efrathiet uit Zereda, een di­enaar van Salomo – de naam van zijn moeder was Zerua, een weduwe – kwam in opstand te­gen de koning.
1 Koningen 11:27 Dit is de reden waarom hij tegen de koning in opstand kwam: Salomo bouwde de Millo en dichtte de bres in de muur van de stad van zijn vader David.
1 Koningen 11:28 Nu was de man Jerobeam een harde werker. Toen Salomo zag hoe deze jongeman het werk ver­richtte, stelde hij hem aan over de hele lichting werklieden van het huis van Jozef.
1 Koningen 11:29 Het gebeurde in die tijd, toen Jerobeam uit Jeruzalem vertrok, dat de profeet Ahia uit Silo hem onderweg aantrof. Deze had zich in een nieuw kleed gehuld en zij beiden waren alleen in het open veld.
1 Koningen 11:30 Toen pakte Ahia het nieuwe kleed dat hij aanhad, en scheurde het in twaalf stukken.
1 Koningen 11:31 Hij zei tegen Jerobeam: Neem er tien stukken van voor uzelf. Want zo zegt de HEERE, de God van Israël: Zie, Ik ga het koninkrijk uit de hand van Salomo losscheuren en Ik zal u tien stammen geven.
1 Koningen 11:32 Maar één stam zal voor hem zijn, omwille van Mijn dien­aar David en omwille van Jeruzalem, de stad die Ik uit alle stammen van Israël heb verkozen,
1 Koningen 11:33 omdat zij Mij hebben verlaten en zich neergebogen hebben voor Astoreth, de god van de Sidoniërs, voor Kamos, de god van de Moabieten, en voor Milkom, de god van de Ammo­nieten, en niet in Mijn wegen gegaan zijn door te doen wat juist is in Mijn ogen en Mijn veror­deningen en bepalingen te houden, zoals zijn vader David.
1 Koningen 11:34 Uit zijn hand zal Ik dit hele koninkrijk echter niet nemen, maar Ik zal hem voor al de dagen van zijn leven tot vorst maken, omwille van Mijn dienaar David, die Ik heb verkozen en die Mijn geboden en verorde­ningen in acht heeft genomen.
1 Koningen 11:35 Maar uit de hand van zijn zoon zal Ik het koningschap nemen en Ik zal u daarvan tien stammen geven.
1 Koningen 11:36 En aan zijn zoon zal Ik één stam geven, zodat Mijn dienaar David alle dagen een lamp voor Mijn aangezicht zal hebben in Jeruzalem, de stad die Ik voor Mij heb verkozen om Mijn Naam daar te vestigen.
1 Koningen 11:37 Maar u zal Ik nemen om te regeren over al wat uw ziel verlangen zal, en u zult koning zijn over Israël.
1 Koningen 11:38 En het zal gebeuren, als u luistert naar alles wat Ik u gebied en in Mijn wegen gaat en doet wat juist is in Mijn ogen door Mijn verordeningen en Mijn geboden in acht te nemen, zoals Mijn dienaar David gedaan heeft, dat Ik met u zal zijn en voor u een blijvend koningshuis zal bouwen, zoals Ik dat voor David gebouwd heb, en Ik zal u Israël geven.
1 Koningen 11:39 Ik zal hiertoe het nageslacht van David vernederen, maar niet voor alle dagen.
1 Koningen 11:40 Salomo wilde Jero­beam doden, maar Jerobeam stond op en vluchtte naar Egypte, naar Sisak, de koning van Egypte, en hij bleef in Egypte totdat Salomo stierf.
1 Koningen 11:41 Het overige nu van de geschiedenis van Salomo, en al wat hij gedaan heeft, en zijn wijsheid, is dat niet beschreven in het boek met de geschiedenis van Salomo?
1 Koningen 11:42 De tijd nu die Salomo in Jeruzalem over heel Israël regeerde, was veertig jaar.
1 Koningen 11:43 Daarna ging Salomo te ruste bij zijn vaderen, en werd be­graven in de stad van zijn vader David, en Rehabeam, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.

Daniël 1

Daniël 1:1 In het derde jaar van de regering van Jojakim, de koning van Juda, kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem en belegerde het.
Daniël 1:2 En de Heere gaf Jojakim, de kon­ing van Juda, in zijn hand, en een deel van de voorwerpen van het huis van God. Hij bracht die naar het land Sinear, naar het huis van zijn god. Hij bracht de voorwerpen naar de schat­kamer van zijn god.
Daniël 1:3 Toen beval de koning aan Aspenaz, het hoofd van zijn hovelingen, dat hij enigen van de Israëlieten moest laten komen, namelijk uit het koninklijk geslacht en uit de edelen,
Daniël 1:4 jongemannen zonder enig gebrek, knap van uiterlijk, bedreven in alle wijsheid, er­varen in wetenschap, helder van verstand, en die in staat waren dienst te doen in het paleis van de koning, en dat men hen moest onderwijzen in de geschriften en de taal van de Chal­deeën.
Daniël 1:5 De koning nu stelde een dagelijkse hoeveelheid van de gerechten van de koning voor hen vast, en van de wijn die hij dronk, om hen in drie jaar zo op te voeden dat zij aan het einde daarvan in dienst konden treden van de koning.
Daniël 1:6 Onder hen waren uit de Judeeërs: Daniël, Hananja, Misaël en Azarja.
Daniël 1:7 Het hoofd van de hovelingen gaf hun andere namen. Daniël noemde hij Beltsazar, Hananja Sadrach, Misaël Mesach en Azarja Abed-Nego.
Daniël 1:8 Daniël nu nam zich in zijn hart voor zich niet te besmetten met de gerechten van de koning of met de wijn die hij dronk. Daarom verzocht hij het hoofd van de hovelingen of hij zich niet zou hoeven te verontreinigen.
Daniël 1:9 God gaf Daniël genade en barmhartigheid bij het hoofd van de hovelingen.
Daniël 1:10 Want het hoofd van de hovelingen zei tegen Daniël: Ik ben bevreesd voor mijn heer de koning, die uw eten en uw drinken heeft vastgesteld. Want waarom zou hij zien dat uw gezichten er slechter uitzien dan die van de andere jongemannen van uw groep? U zou bij de koning mijn hoofd met schuld beladen.
Daniël 1:11 Toen zei Daniël tegen de kamerheer die het hoofd van de hovelingen had aangesteld over Daniël, Hananja, Misaël en Azarja:
Daniël 1:12 Stel uw dienaren toch tien dagen op de proef, en laat men ons plantaardig voedsel geven, zodat wij dat eten, en water, zodat we dat drinken.
Daniël 1:13 En laat dan in uw tegenwoordigheid ons uiter­lijk en het uiterlijk van de andere jongemannen, die de gerechten van de koning eten, bezien worden, en doe dan met uw dienaren naar wat u ziet.
Daniël 1:14 Hij luisterde naar hen in deze zaak. Tien dagen stelde hij hen op de proef.
Daniël 1:15 Aan het einde van die tien dagen zag men dat hun uiterlijk knapper was, en zagen zij er gezonder uit dan al de jongemannen die van de gerecht­en van de koning aten.
Daniël 1:16 Toen gebeurde het dat de kamerheer hun gerechten, en de wijn die zij moesten drinken, wegnam en dat hij hun plantaardig voedsel gaf.
Daniël 1:17 Aan deze vier jongemannen nu gaf God kennis en verstand van allerlei geschriften, en wijsheid, en Daniël gaf Hij inzicht in allerlei visioenen en dromen.
Daniël 1:18 Aan het einde van de dagen waarvan de koning had gezegd dat men hen moest laten komen, liet het hoofd van de hovelingen hen bij koning Nebukadnezar komen.
Daniël 1:19 De koning sprak met hen. Maar onder hen allen werd nie­mand gevonden als Daniël, Hananja, Misaël en Azarja. Zij traden in dienst van de koning.
Daniël 1:20 In alle zaken waar het aankomt op een wijs inzicht, waarover de koning hen ondervroeg, vond hij hen tienmaal beter dan alle magiërs en bezweerders die er in heel zijn koninkrijk waren.
Daniël 1:21 En Daniël bleef tot het eerste jaar van koning Kores.