Vrije vogel

De dodenherdenking is net afgelopen en we zitten nog wat na te praten. Dan klinkt een doffe bonk tegen het achterraam. Een vogel ligt fladderend op de vensterbank.

Het lukt hem weer op te vliegen tot achter in onze kleine tuin. Daar draait hij zich om en knalt opnieuw tegen de ruit. Ondanks de vogelstickers, of misschien juist daardoor? Meent hij soortgenoten te herkennen en wil hij zich daarbij aansluiten?

‘Dat gaat niet goed’, zeg ik, ‘we moeten wat doen.’

Als ik terug kom uit de schuur met een rieten mand, is de vogel voor de derde keer hard tegen het raam gevlogen. Hij blijft stil liggen maar leeft nog en ziet er intact uit. Het is een gierzwaluw.

Ik zet de rieten mand over hem heen. En nu?

Gierzwaluwen eten, paren en slapen in de lucht. Ze horen niet tot de ‘echte’ zwaluwenfamilie, maar tot de ‘apodidae’, wat letterlijk ‘zonder voeten’ betekent. Dat klopt niet helemaal, maar ze kunnen nauwelijks staan op hun bevederde klauwtjes, die vooral geschikt zijn om zich vast te klampen aan verticale wanden. Een gierzwaluw die op de grond is beland, kan alleen met heel veel moeite weer opvliegen. We twijfelen of dit exemplaar dat gaat redden.

We doen de vogel in een doos en beraadslagen. Als we hem uit het slaapkamerraam omhoog gooien, is hij dan nog in staat tot vliegen of zal hij te pletter vallen? We besluiten de open doos bij het geopende zolderraam te houden en te kijken wat er gebeurt. Op het schuine dak kan er in ieder geval geen kat bij komen.

De vogel raakt het dak niet eens. Hij spreidt zijn vleugels en vliegt, vliegt, in volle vaart naar het noordwesten. Wij zien nog even zijn kenmerkende silhouet. Dan is hij gevlogen. De vrijheid tegemoet.

Onvoltooid verleden tijd

In het najaar van 1995 schreef mijn vader zijn levensboek. Hij illustreerde het met foto’s en documenten als trouwakten, persoonsbewijzen en krantenknipsels. Een nauwkeurige vastlegging van wie hij was en waar hij voor stond en een kostbare herinnering voor zijn kinderen en kleinkinderen. Mijn vader overleed in 2009 maar zijn verhalen leven voort.

In zijn levensboek maakte mijn vader een begin met de familiestamboom, vanuit zijn geheugen en de familieverhalen. Hij kwam tot aan zijn betovergrootvader, overleden op 21 november 1896.

Sinds kort houdt het ook mij bezig: stamboomonderzoek. Wie waren mijn voorouders, waar leefden ze, wat deden ze? Kwamen ze uit andere landen, trokken ze rond, waren ze van adel? Welnee! De ruim vijfhonderd voorouders die ik tot nu toe heb ontdekt leefden allemaal in het westen van Noord-Brabant, het zuidwesten van Gelderland en in Zuid-Holland. Daar werden ze geboren en daar stierven ze. De mannen werkten onder meer als landbouwer, veekoopman, molenaar, schoolmeester en veldwachter. Een enkeling werd burgemeester. Slechts bij twee vrouwen staat een beroep vermeld: dienstmeid of chirurgienne.

De naamreeks van mijn vader gaat terug tot 1650, het geboortejaar van mijn voorvader in de tiende generatie Laurents die trouwde met Elsken. Hun zoon Arendt werd geboren op 18 maart 1674. Hij werd ruiter in het regiment van luitenant-generaal Van Oijen in Bergen op Zoom. Zijn vrouw, Marieken, overleed jong en Arendt trouwde opnieuw. Daarmee ontstond een samengesteld gezin. Een fenomeen dat opvallend vaak voorkomt in mijn voorgeslacht en dat zich heeft voortgezet in mijn eigen leven.

Voor mijn verjaardag kreeg ik het boek Verborgen Verleden, het stamboomboek van drs. Rob van Drie. Het is de officiële uitgave van het gelijknamige tv-programma van de NTR en het helpt je op weg bij het onderzoek in de archieven. Zo komt de ene na de andere voorouder tot leven.

Nu ik zelf bezig ben met mijn levensverhaal voel ik mij verbonden met al die mensen die vóór mij leefden, zonder wie ik niet zou zijn geboren. Ik geniet van de reis naar het verleden. Èn van mijn talrijke huidige familieleden die – deels – eveneens hun bestaan danken aan boeren en ‘eenvoudighe luijden’ in een klein stukje Nederland.

Fluistert het blad

in het bos
fluistert het blad
van dood en paddestoelen
in het bos
laat ik mijn tranen stromen
liefde heeft een achterkant
fluistert het blad
in het bos

Viola tricolore

gierzwaluwen duwen
een spreeuwenbaby
over de rand

de moederspreeuw
schreeuwt

tevergeefs

stil sta ik
tussen steenharde
tegels

katten sluipen
een muis rent
voorbij

mensenvoeten
passeren mij
rakelings

ik zwijg in drie kleuren
meebewegend
in de wind

Engelkens

engelkens

Ik hou niet van de kerstmaand. Ze is me te donker, te koud, te verwachtingsvol. Het liefst zou ik me als een berin verschuilen in mijn winterhol. Maar net als ieder jaar is december weer aangebroken en ik ben erbij. Tijd om het huis te versieren, in afwachting van de Geboorte.

In mijn ouderlijk huis werd kerstverlichting beschouwd als wereldse nutteloosheid, gekoppeld aan een heidens verleden. Het licht behoorde van binnenuit te komen. Onze kerst was sober en ingetogen, met een diep besef van zondigheid. Tenslotte werd het kerstkind niet alleen geboren maar ook – jaren later – gekruisigd. Zodat wij het eeuwige leven konden beërven. Ellende, verlossing en dankbaarheid, verwoord in de Heidelbergse Catechismus.

Toch hield ik van de kersttijd. We oefenden teksten en liederen voor het kerstfeest van de zondagsschool. Op eerste kerstdag mochten we onze mooiste jurk aan. Na kerktijd was er lekker eten en we waren allemaal blij dat het kindje en zijn ouders voorlopig veilig waren in de warme stal. In afwachting van de wijzen uit het oosten, met hun heerlijke geschenken.

Ik denk aan toen, terwijl ik de kerstverlichting van vorig jaar probeer te ontrafelen. Wat een crime. Ik doe vast iets verkeerd bij het opbergen. Ieder jaar weer weten de snoeren met lampjes zich op te rollen tot een onontwarbare kluwen die mij vele minuten en nog meer geduld kosten. En is het eenmaal gelukt, dan zie ik het gebeuren. De lampjes kruipen geniepig terug door elkaar en het snoer slingert zich opnieuw in vreemde bochten.

Wat betekent kerst voor mij? Ik kom er niet uit. Er is zoveel. Net als de lampjes van het kerstsnoer kronkelen de gedachten door mijn hoofd. Wat blijft haken is de herinnering aan ouders die op hun manier betekenis doorgaven. Betekenis die verder ging dan versiering en uiterlijkheden en die vorm kreeg in een liefdevol bestaan.

Buiten is het donker geworden. Zacht fluistert de engel die achter mij staat. Woorden van vreugde, van compassie. Als ik goed luister kan ik ze verstaan. En opeens zie ik ze: talloze wezens, die het duister verlichten. Dichtbij en ver weg, nauwelijks waarneembaar of helder stralend. Vol liefde voor de medemens, de dieren, de aarde waarop wij leven.

Ze zijn er nog.

Engelkens door het luchtruim zwevend…

1 2 3 9