De dodenherdenking is net afgelopen en we zitten nog wat na te praten. Dan klinkt een doffe bonk tegen het achterraam. Een vogel ligt fladderend op de vensterbank.

Het lukt hem weer op te vliegen tot achter in onze kleine tuin. Daar draait hij zich om en knalt opnieuw tegen de ruit. Ondanks de vogelstickers, of misschien juist daardoor? Meent hij soortgenoten te herkennen en wil hij zich daarbij aansluiten?

‘Dat gaat niet goed’, zeg ik, ‘we moeten wat doen.’

Als ik terug kom uit de schuur met een rieten mand, is de vogel voor de derde keer hard tegen het raam gevlogen. Hij blijft stil liggen maar leeft nog en ziet er intact uit. Het is een gierzwaluw.

Ik zet de rieten mand over hem heen. En nu?

Gierzwaluwen eten, paren en slapen in de lucht. Ze horen niet tot de ‘echte’ zwaluwenfamilie, maar tot de ‘apodidae’, wat letterlijk ‘zonder voeten’ betekent. Dat klopt niet helemaal, maar ze kunnen nauwelijks staan op hun bevederde klauwtjes, die vooral geschikt zijn om zich vast te klampen aan verticale wanden. Een gierzwaluw die op de grond is beland, kan alleen met heel veel moeite weer opvliegen. We twijfelen of dit exemplaar dat gaat redden.

We doen de vogel in een doos en beraadslagen. Als we hem uit het slaapkamerraam omhoog gooien, is hij dan nog in staat tot vliegen of zal hij te pletter vallen? We besluiten de open doos bij het geopende zolderraam te houden en te kijken wat er gebeurt. Op het schuine dak kan er in ieder geval geen kat bij komen.

De vogel raakt het dak niet eens. Hij spreidt zijn vleugels en vliegt, vliegt, in volle vaart naar het noordwesten. Wij zien nog even zijn kenmerkende silhouet. Dan is hij gevlogen. De vrijheid tegemoet.