natuur

Viola tricolore

gierzwaluwen duwen
een spreeuwenbaby
over de rand

de moederspreeuw
schreeuwt

tevergeefs

stil sta ik
tussen steenharde
tegels

katten sluipen
een muis rent
voorbij

mensenvoeten
passeren mij
rakelings

ik zwijg in drie kleuren
meebewegend
in de wind

Geel

160403 paardenbloem

solitair
geel tussen
bruin en groen
gulle gastbloem voor zwevende
vliegers

stralend
jouw schoonheid
mag gezien worden
jouw zoete nectar is
onweerstaanbaar

misschien
ben je
een beetje eenzaam
maar vast niet vaak
alleen

Transformatie

Ooit was ik
een hoge boom met takken
wuivend in de wind.

Nu ben ik
een hek en
scheid de Celtic Fields
bij Wekerom.

De boerderij trekt wat bezoek,
een man, een vrouw, een kind.

Korstmos en tonderzwam
fluisteren op mijn stam.
Verder is het stil,
heel stil.

In mijn hoofd zingt een liedje

 

Herfst, herfst, wat heb je te koop – Duizend kilo bladeren op een hoop – Zakken vol met wind, ja m’n kind – ‘k Weet niet of jij dat aardig vindt.

Onder mijn voeten knisperen takjes, eikels, afgevallen blaadjes. En op de maat van mijn stappen zweeft een liedje. Een dwarrelend herfstblad dat een plek vindt in mijn hoofd.

Herfst, herfst, wat heb je te koop – Paddenstoelen, honderd op een hoop – ‘k Zet ze voor je neer, heus meneer – Dat doe ik alle jaren weer.

Volgens de kalender is het nog zomer, maar bladeren, paddenstoelen en herfsttinten vertellen een ander verhaal. Ze roepen oude herinneringen wakker. Aan fietsen over de dijk tegen de wind in, aan dikke zelf gebreide truien en warme sokken.

Herfst, herfst, wat heb je te koop – Dikke grijze wolken op een hoop – Alles in de stad gooi ik nat – Koop je van mij zo’n regenbad.

Ik geniet van de geuren van aarde en nevel, wind om mijn hoofd, donkerrode bramen in mijn tuin. Van ganzen die druk communicerend overvliegen, onderweg naar waar?

Bij ons thuis waren veel liedjes. Tijdens de afwas zongen we meerstemmig. Monsieur, vous êtes jeune homme, of My bonnie is over the ocean. Na een zomervakantie hadden mijn zusjes iets nieuws geleerd: een herfstliedje. We zongen het samen.

Nu de paddenstoelen kleurig mijn pad markeren klinkt het opnieuw, in mijn hoofd. Een beetje weemoedig en tegelijk vrolijk. Pas zong ik weer met zussen. We lachten, het voelde vertrouwd. Zoals toen.

Ieder jaar weer wordt het herfst, en iedere herfst ben ik ouder. Maar in mijn hoofd blijf ik dezelfde. Leeftijdloos. Met liedjes voor ieder seizoen.

Wat wil ik met mijn leven?

houtduifje

De jonge houtduif zit stil in de boom. Zo te zien net uit het nest gefladderd en in afwachting van de dingen die komen. Ze lijkt me hulpeloos en een beetje naïef. Onbewust van de gevaren in de buurt, waaronder onze katten die wij zorgvuldig binnen houden.

Ik dicht haar menselijke gedachten toe. ‘Wat doe ik hier? Wat wil ik met mijn leven? Waartoe ben ik op aarde?’ Die laatste vraag heb ik gepikt uit de katholieke catechismus. Het antwoord luidt: ‘… om God te dienen en daardoor hier en in het hiernamaals gelukkig te zijn.’ 

Of dat voor duiven ook geldt, weet ik niet. Ik heb het idee dat dit exemplaar voorlopig rustig afwacht tot ze gediend wordt en pa en ma nog wat duivenmelk aanreiken. En dat doen ze, na een aantal uren. Het vertedert me. Ouders die hun pas uitgevlogen kind nog niet helemaal loslaten. Maar: wordt het niet eens tijd dat duif junior zelf leert om zaden en zo te zoeken? En uit te kijken voor nog onbekende gevaren? Maar hoe leert ze dat dan? Of heeft ze die kennis al in de genen meegekregen?

Ik weet niet veel van duiven. Ook heb ik geen pasklare antwoorden op menselijke vragen. Wel herinner ik me een citaat van filosoof Bram Moerland:

De zin van het bestaan is niet gegeven; niettemin is de mens verlangend naar zin. Maar juist die afwezigheid van een gegeven zin schept de open ruimte waarin elk mens zelf de zin van zijn bestaan kan ontwerpen en daar de verantwoordelijkheid voor nemen.’

Dat vind ik een mooie gedachte, die zet me aan het werk.

De volgende dag is de jonge duif verdwenen. Ik wens haar alle geluk van de wereld.