stukjes

Onvoltooid verleden tijd

In het najaar van 1995 schreef mijn vader zijn levensboek. Hij illustreerde het met foto’s en documenten als trouwakten, persoonsbewijzen en krantenknipsels. Een nauwkeurige vastlegging van wie hij was en waar hij voor stond en een kostbare herinnering voor zijn kinderen en kleinkinderen. Mijn vader overleed in 2009 maar zijn verhalen leven voort.

In zijn levensboek maakte mijn vader een begin met de familiestamboom, vanuit zijn geheugen en de familieverhalen. Hij kwam tot aan zijn betovergrootvader, overleden op 21 november 1896.

Sinds kort houdt het ook mij bezig: stamboomonderzoek. Wie waren mijn voorouders, waar leefden ze, wat deden ze? Kwamen ze uit andere landen, trokken ze rond, waren ze van adel? Welnee! De ruim vijfhonderd voorouders die ik tot nu toe heb ontdekt leefden allemaal in het westen van Noord-Brabant, het zuidwesten van Gelderland en in Zuid-Holland. Daar werden ze geboren en daar stierven ze. De mannen werkten onder meer als landbouwer, veekoopman, molenaar, schoolmeester en veldwachter. Een enkeling werd burgemeester. Slechts bij twee vrouwen staat een beroep vermeld: dienstmeid of chirurgienne.

De naamreeks van mijn vader gaat terug tot 1650, het geboortejaar van mijn voorvader in de tiende generatie Laurents die trouwde met Elsken. Hun zoon Arendt werd geboren op 18 maart 1674. Hij werd ruiter in het regiment van luitenant-generaal Van Oijen in Bergen op Zoom. Zijn vrouw, Marieken, overleed jong en Arendt trouwde opnieuw. Daarmee ontstond een samengesteld gezin. Een fenomeen dat opvallend vaak voorkomt in mijn voorgeslacht en dat zich heeft voortgezet in mijn eigen leven.

Voor mijn verjaardag kreeg ik het boek Verborgen Verleden, het stamboomboek van drs. Rob van Drie. Het is de officiële uitgave van het gelijknamige tv-programma van de NTR en het helpt je op weg bij het onderzoek in de archieven. Zo komt de ene na de andere voorouder tot leven.

Nu ik zelf bezig ben met mijn levensverhaal voel ik mij verbonden met al die mensen die vóór mij leefden, zonder wie ik niet zou zijn geboren. Ik geniet van de reis naar het verleden. Èn van mijn talrijke huidige familieleden die – deels – eveneens hun bestaan danken aan boeren en ‘eenvoudighe luijden’ in een klein stukje Nederland.

Engelkens

engelkens

Ik hou niet van de kerstmaand. Ze is me te donker, te koud, te verwachtingsvol. Het liefst zou ik me als een berin verschuilen in mijn winterhol. Maar net als ieder jaar is december weer aangebroken en ik ben erbij. Tijd om het huis te versieren, in afwachting van de Geboorte.

In mijn ouderlijk huis werd kerstverlichting beschouwd als wereldse nutteloosheid, gekoppeld aan een heidens verleden. Het licht behoorde van binnenuit te komen. Onze kerst was sober en ingetogen, met een diep besef van zondigheid. Tenslotte werd het kerstkind niet alleen geboren maar ook – jaren later – gekruisigd. Zodat wij het eeuwige leven konden beërven. Ellende, verlossing en dankbaarheid, verwoord in de Heidelbergse Catechismus.

Toch hield ik van de kersttijd. We oefenden teksten en liederen voor het kerstfeest van de zondagsschool. Op eerste kerstdag mochten we onze mooiste jurk aan. Na kerktijd was er lekker eten en we waren allemaal blij dat het kindje en zijn ouders voorlopig veilig waren in de warme stal. In afwachting van de wijzen uit het oosten, met hun heerlijke geschenken.

Ik denk aan toen, terwijl ik de kerstverlichting van vorig jaar probeer te ontrafelen. Wat een crime. Ik doe vast iets verkeerd bij het opbergen. Ieder jaar weer weten de snoeren met lampjes zich op te rollen tot een onontwarbare kluwen die mij vele minuten en nog meer geduld kosten. En is het eenmaal gelukt, dan zie ik het gebeuren. De lampjes kruipen geniepig terug door elkaar en het snoer slingert zich opnieuw in vreemde bochten.

Wat betekent kerst voor mij? Ik kom er niet uit. Er is zoveel. Net als de lampjes van het kerstsnoer kronkelen de gedachten door mijn hoofd. Wat blijft haken is de herinnering aan ouders die op hun manier betekenis doorgaven. Betekenis die verder ging dan versiering en uiterlijkheden en die vorm kreeg in een liefdevol bestaan.

Buiten is het donker geworden. Zacht fluistert de engel die achter mij staat. Woorden van vreugde, van compassie. Als ik goed luister kan ik ze verstaan. En opeens zie ik ze: talloze wezens, die het duister verlichten. Dichtbij en ver weg, nauwelijks waarneembaar of helder stralend. Vol liefde voor de medemens, de dieren, de aarde waarop wij leven.

Ze zijn er nog.

Engelkens door het luchtruim zwevend…

Te koop

Vanmiddag was het er weer. Dat gevoel. Ik zat op het heidebankje in de lage novemberzon, met mijn ogen dicht. De tijd hield haar adem in. Geluiden vervaagden tot alleen de wind overbleef. En een innerlijk landschap dat steeds helderder werd.

Het was alsof hij zo zou komen aanstappen. Een sportieve oude heer met een geruite pet op zijn hoofd. Hij zou ons groeten en vragen of hij erbij mocht komen zitten. Natuurlijk. We zouden praten. Over wandelen en foto’s maken. Over genieten van licht en lezen en schrijven. Over zinvol ouder worden.

Zo lang ik mijn ogen gesloten hield, zou het zo kunnen zijn.

Maar er kwamen luid pratende fietsers voorbij, een hond met een tak in zijn bek, een fluitende hondenbaas en wandelaars met stokken. De zon zakte snel en het werd koud.

Ik stond op en koos de weg terug naar huis. Weg van de hei, door het bos en voorbij het veld, waar hij mij vorig jaar nog wees op welke plek de mooiste paddestoelen groeiden. Langs de gracht met de eenden. Ik keek omhoog naar zijn huis. De plant op het balkon was doodgevroren. Er stond een bordje: Te koop.

Een novembermiddag kan koud zijn. Mensen komen en gaan. Alles verandert.

Wat blijft is weemoed, gemengd met dankbaarheid. Voor iedere lieve onmisbare medemens die mijn leven verwarmde.

 

Droefheid

droefheid

De kamer geurt naar zoete olie. In het schemerdonker branden kaarsen. Ik zit in de lotushouding op mijn matras en luister naar muziek.

‘So long Marianne, it’s time that we began,
to laugh and cry and cry and laugh about it all again.’

Ik woon ver van mijn ouders in een middelgrote stad. Verdien mijn eigen inkomen. Maak nieuwe vrienden met andere gewoonten en andere muziek. Schilder de muren van mijn kamer groen, oranje, bruin. Het wisselt na iedere verhuizing.

Soms ben ik moe van mijn werk. Somber om wat er in de wereld gebeurt. Treurig om een verloren liefde. Dan wil ik de donkere stem van Leonard Cohen horen. Songs van verlangen, weemoed, vol duistere gevoelens die ik nauwelijks begrijp. Muziek die raakt aan de rafelranden van het bestaan en diep van binnen resoneert.

Als de eenzaamheid toeslaat en de dagen steeds donkerder lijken, voel ik me op een wonderlijke wijze getroost door het sonore geluid van Cohen. Het kan altijd erger.

###

Mijn tijd als kamerbewoner lijkt een eeuwigheid geleden. Veel vrienden van toen zijn uit mijn leven verdwenen of dood. Mijn muziekkeuze is veranderd maar soms stuit ik weer op muziek van de oude meester. Met daarin behalve droefheid ook verwijzingen naar spiritualiteit en naar een afscheid dat onvermijdelijk dichterbij komt.

Een dag nadat Amerika een onvoorstelbare presidentskeuze heeft gemaakt, hoor ik ’s morgens op de radio dat Leonard Cohen is overleden. Hoewel ik hem nog zelden beluister, schrik ik ervan. Allerlei herinneringen fladderen door mijn hoofd. De oude melancholie is springlevend.

Hoe is dat, als een jeugdicoon sterft? Het voelt als weemoed, als verlatenheid. Als heimwee naar wat nooit meer komt, in een wereld die er niet vrolijker op wordt.

Zijn laatste album ‘You want it darker’ hoor ik pas na zijn dood en het raakt me.

‘I’m leaving the table, I’m out of the game.’

De zanger is gegaan, de droefheid blijft.

Een hangsnor, een krulsnor en een hart

Een ‘artist’s block’? Daar heeft hij geen last van. Hij is tien en een echte doener, een jongetje dat van alles uitprobeert. Hoe hou je zo’n kind bezig, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds half tien? Bos, dagje uit, spelletje, we hebben al van alles gedaan.

Met nog een lege middag in het verschiet krijg ik ineens een idee. Maanden geleden heb ik een doos met acrylverf aangeschaft, een paar schilderdoeken en een palet. Zelf heb ik al een jaar geen kwast aangeraakt. Maar vandaag leggen we een beschermend kleed op tafel en gaan aan de slag.

Nu ben ik zo’n twijfelaar die zich geregeld afvraagt: ‘Kan ik dat wel? Hij begint gewoon. Schildert een hangsnor, een krulsnor en een hart. Een vaas en nog wat vage figuren. Rood, oranje, geel en goud, de kleuren spatten van zijn doek. Hij ontdekt het plezier van verf mengen. Gaat helemaal op in wat hij doet. Hij vult de vlakken op met zwart en grijs en ik zie hem tot bloei komen.

Daardoor voel ik me vrij om zelf ook te bloeien. Hij heeft me over de drempel geholpen. Ik schilder een meertje met een veelkleurige avondlucht. Zo hebben we samen een geweldige middag.

Als zijn ouders hem komen halen, krijgt zijn moeder zijn kunstwerk. Ze wordt helemaal blij.