Maas bij Poederoijen

Het land ontrolt zich achter mijn gesloten ogen,
ik sta weer boven aan de ruwe stenen trap
van onze pastorie, uitkijkend over
de uiterwaarden, sloot en jong gewas.
En – verder weg – de glanzende rivier.
Ik loop de trap af naar de tuinen van mijn vader
op kinderlaarsjes door het natte gras.

Lichtvoetig stappend door de zware modder,
langs bessenstruiken, bonenstaken,
aardbeiveld en aardappels en sla,
weet ik nog niet van het voorbijgaan van de tijd,
hoe ooit dit landschap mij met weemoed zal vervullen,
als ik bedroefd, ontmoederd en verloren
het pad zal moeten gaan naar de volwassenheid.

Achter de kromme knotwilg ligt een broze plank,
de overbrugging van de smalle sloot
waar in het voorjaar gele eendjes zwemmen.
De uiterwaarden geuren nog naar vocht
alsof ze pas ontwaakt zijn uit de winter.
Mijn laarsjes stappen over gras tot aan het zand
en verder langs de stenen, links, voorbij de bocht.

Daar is de bol waar schippers ‘s vrijdagsavonds
hun boot aanmeren voor twee dagen rust,
om ’s zondags naar de kerk te kunnen stappen,
over de dijk, het psalmboek in de hand.
Ik ga naar Thijs de parlevinker en zijn vrouw
die limonade schenkt en koek serveert.
Dan gaan we roeien naar de overkant.

De grijze man beweegt de riemen heen en weer,
hij rookt en stuurt de boot over het water.
Ik hoor het klotsen, ruik de golven
en sigarettenrook. Zo weggedroomd,
zo veilig met gesloten ogen weet ik
nog niet van heimwee en voorbijgaan
en dat het water altijd verder stroomt.

(Winnend gedicht Gedichtenwedstrijd 2015 Heel Nederland Schrijft)